Hoe komt het dat zoveel kerkuilen sterven in de winter?

Kerkuilen hebben maar een korte levensverwachting van 1,3 jaar, maar 6% tot 12% haalt het derde levensjaar. Eén van de reden is wintersterfte. In de winter is er weinig voedsel en zijn de weersomstandigheden slecht. Om de lichaamstemperatuur van 40˚C op peil te houden moet extra voedsel worden ingenomen. De kerkuil is van nature een zuidelijke en warmte minnende soort.

Kerkuilen gedijen namelijk het best met temperaturen variërend van 25˚C tot 35˚C. Als de temperatuur zakt naar 5˚C dan stijgt het energieverbruik van 367 KJ/dag naar 560 KJ/dag. Dat moet weer gecompenseerd worden met meer voedsel, van 77 gram naar 117 gram.

Dus om de conditie op peil te houden moeten ze meer prooien vangen terwijl de omstandigheden slechter worden. Daarbij kunnen ze moeilijker vetreserves aanleggen, maximaal 5,5% van het eigen lichaamsgewicht. Bosuilen en ransuilen kunnen meer vetreserves aanleggen, respectievelijk 10% en 13,4%. Een stervende kerkuil heeft al snel 30% van zijn eigen gewicht verloren.

Het zijn de strenge winters die de kerkuilen de das om doen.

Dus niet alleen een sneeuwdek waardoor muizen onbereikbaar worden maar ook ijzige noordenwind of langdurige regens in combinatie met hevige winden zijn fataal.

 

 

Bron: Natuurwerkgroep de Kerkuil, “de Kerkuil binnenste buiten”.

http://www.natuurwerkgroepdekerkuil.be/images/Kerkuil/winter.pdf

 

Groet Mark Sloendregt

Kerkuilen voeren proooien aan.
Foto: Rene Jansen